Metaforen
Al eeuwenlang is het vertellen van verhalen de manier om wijsheid door te geven. Metaforen werken krachtig in op ons onbewuste en bieden zo openingen voor leren en verandering.
Vandaar dat wij in ons werk veel gebruik maken van metaforen. Ook is het schrijven van een metafoor een verplichte opdracht in de Master NLP opleiding. Hieronder enkele juweeltjes.
We leven nu
Bert Bak (NLP mastergroep 09/10) schreef naar aanleiding van zijn modelleeropdracht dit nummer. De tekst is een metafoor op zich.
"De zon staat hoog boven de Oudegracht
het water kabbelt voort.
De Wildeman, ik had het wel verwacht
staat nog altijd waar hij hoort.
Kijkt met een knuppel in zijn nek, al
eeuwen naar dezelfde plek.
Hij verroeit zich niet, ik lach
om wat hij ziet.
Ik loop wat verder langs de huizen er
is nog wel wat tijd.
Hier droomden kind'ren,
leefden mensen en voerden oorlogsstrijd.
De klokken in de toren slaan hun
dagelijkse spel.
Ik luister naar de stad en weet
ik kan het wel.
Hou dit vast we leven nu.
Hou dit vast we leven nu.
Niet verleden of de toekomst telt
maar hou niet vast we leven nu.
Hijgend loop ik de trappen op naar
de zolder van m'n kunnen.
Het kraakt van boven in m'n kop die ik
wat rust moet gunnen
Zwetend gaat m'n jas weer uit
op zoek naar wat er verder is
gooi ik steeds maar weer wat weg
van wat ik toch niet mis.
Hou dit vast we leven nu
niet verleden of de toekomst telt
hou dit vast we leven nu
Het modelleren, het registreren
wat zie ik aan het model, met welk programma,
hoe doet 'ie dat nou
Kan ik dat eigenlijk wel?
We leven nu en positief
De stoorzender eruit.
Ik probeer het impliciet en ik kom
er nog niet uit.
Hou dit vast we leven nu
niet verleden of de toekomst telt
hou dit vast we leven nu.
Hulp vragen zoek een goede bron.
Royaal zijn voelt ook goed.
Rust nemen is van groot belang als
je ook wat geven moet.
Als je snel wilt gaan doe je 't maar alleen als
je ver wilt komen met menigeen
's avonds bij het avondlicht
geniet ik van mijn kind's gezicht..
Panta Rhei - het water vindt zijn eigen weg
Door Netty Rutz (Master NLP opleiding 2008-7)
In een land ver achter ons, hoog in de bergen, ontspringt een dartel stroompje aan de Bron. Helder en fris huppelt het over de stenen. Nadat het zich door de zon heeft laten verwarmen haast het zich vrolijk en vol verwachting de wereld tegemoet. Wat zal het allemaal tegenkomen op de lange, lange reis?
De treinreis
Door Dennis Fisser (NLP- Master practitioner 2010)
Laatst reisde ik sinds lange tijd weer eens met de trein. Eigenlijk was het noodgedwongen, want ik had een gebroken been en kon niet met eigen vervoer. Ik merkte dat ik opeens weer sterk afhankelijk was van anderen, en dat deed me geen goed. Inmiddels had ik me ontwikkeld tot een zelfredzaam en zelfstandige reiziger, die geleerd had zich op diverse manieren voort te bewegen, waarbij ik zelf altijd de controle had over vertrek, reis en aankomst.
Aanvankelijk ergerde ik me mateloos aan alles waar ik “weer” mee geconfronteerd werd sinds lange tijd. Het haasten naar het station omdat de trein op gezette tijden zou moeten reizen. Het kopen van een kaartje uit een onpersoonlijke automaat, waarbij de kans aanwezig is dat je net nieuw verkregen pinpas wordt ingeslikt omdat je in de haast de pincode vergeet, of nog erger, wordt geskimt, waardoor je reis ineens honderden euro’s duurder uitvalt.
Vervolgens kom je op een koud, guur perron, waar mensen buiten hun peuken staan te roken, omdat ze uit de inmiddels niet langer verwarmde wachtruimtes worden geweerd. Als ik ergens een hekel aan heb, is het wel de rook ervaren zonder daar bewust voor te kiezen!
Vervolgens blijkt je haastactie tevergeefs te zijn geweest, want de trein is natuurlijk vertraagd, waardoor je de rook van je aankomende medepassagier nog langer moet verdragen. En net op het moment dat je besluit om toch maar in het kille, met anti-vandalisme-interieur beklede wachthok binnen te gaan, komt in de verte alsnog de verlate trein aan tokkelen.
Dan het gedrang om met zijn allen zo snel mogelijk een plaatsje te bemachtigen bij het raam en uiteraard in de rijrichting van de trein (anders word je misselijk). Net op het laatste moment wordt het laatste plaatsje weg gekaapt, en word je verwezen naast de bouwvakker, die zijn shirt net een dag te lang aan heeft en mag je genieten van de geuren die zijn zware fysieke inspanning onderkennen. Dan zet de trein zich schokkend langzaam in beweging.
Eindelijk begint dan de reis op weg naar huis! (als ik de motor had gehad, was ik inmiddels al een flink stuk onderweg).
Ik probeer me af te sluiten voor de intense vochtige dampen die van de natgeregende jassen in het compartiment neerslaat. Me af te sluiten voor de penetrante mengeling van geuren van zoet ruikende dames van verschillend allooi en de uitgewerkte aftershave van hardwerkende kantoorklerken. En ja, natuurlijk de zware oude zweetgeur van de bouwvakker naast me. Me af te sluiten voor het geroezemoes om me heen, de veel te hard klinkende housemuziek die de inmiddels dove scholier via zijn oordopjes bestookt. De kranten die omgeslagen worden terwijl er al absoluut geen ruimte is om je in deze, voor hele kleine mensen ontworpen banken, enigszins vrijelijk te bewegen.
Om me aan de waanzin van het reizen van het openbaar vervoer te onttrekken, probeer ik me te concentreren op datgene dat zich buiten de trein afspeelt.
De monotone deining van de trein brengt me in een trance en mijn gedachten dwalen al snel af. Starend naar buiten hoor ik mezelf de tekst van een lied zingen:
“De meeste treinen rijden achterlangs het leven.
je ziet een schuurtje met een fiets er tegen aan.
een kleine jongen is nog op, hij mag nog even.
je ziet een keukendeur een eindje openstaan.
als je maar niet door deze trein werd voortgedreven,
zou je daar zondermeer naar binnen kunnen gaan.
Zodra de schemer was gedaald,
was je niet langer meer verdwaald.
En je ontmoette daar niet eens, niet eens verbaasde blikken.
je zou toch komen? iedereen had het vermoed.
en ze zouden even haast onmerkbaar naar je knikken.
want wie verwacht is, wordt maar nauwelijks begroet.
je zou je zomaar aan hun tafel kunnen schikken
en alle dingen waren plotseling weer goed.
Zodra de schemer was gedaald,
was je niet langer meer verdwaald.
Je hoefde daar geen druppel, geen druppel alcohol te drinken,
want grenadine zou je smaken als cognac.
je zag het haardvuur achter micaruitjes blinken,
er kwam een merel zitten zingen op het dak.
en die paar mensen die je nooit hebt kunnen missen,
kwamen daar binnen met een lach op hun gezicht.
je zou je voortaan nooit meer in de weg vergissen,
je deed het boek van alle droevenissen dicht.
Maar ach, de trein is doorgegaan
en kilometers daar vandaan”.
Een serene rust daalt over me heen bij het hardop in mezelf zingen van deze tekst. Een glimlach verschijnt op mijn gezicht, en ik ben dankbaar voor deze reis. Ik verbaas me over de verscheidenheid van mensen in de trein, en het valt me op hoe ze onderling op elkaar reageren. Van een afstandje kijk ik toe, hoe een man en vrouw elkaar op een afstandje met enigszins verlegen blik toekijken.
Dan merk ik hoe de hard werkende man naast me zachtjes mee deint op de frivole klanken van de student tegenover ons. Zijn weekend begint goed.
Dan stapt een vrolijke conducteur het compartiment binnen, en knikt de mensen al controlerend en knippend vriendelijk toe. Trots laat ik hem het kaartje zien dat ik veroverd heb voor een prijs die me nog alleszins meeviel. Met een vorstelijk gebaar neem ik het declareerbare bewijs weer in ontvangst.
Een vriendelijke stem weerklinkt door het praktische omroepsysteem en geeft aan dat mijn station inmiddels wordt genaderd. Alsof mijn medepassagiers al vooraf wisten dat ik er hier uit zou moeten, maken ze vanuit hun comfortabele zetels ruimte om mij er langs te laten. Even twijfel ik of ik niet nog even zal blijven, maar besef dat er op me wordt gewacht. Ik bedank mijn medereizigers vriendelijk en loop in de langzaam vertragende trein in de richting van de deur. Het ingenieus ontworpen glazen klapdeurtje wordt door een oogstrelende studente voor me opengehouden en ik kan het niet laten haar een ondeugende knipoog te schenken.
Als de trein eenmaal stil staat en de deuren zich voor me openen alsof ik een vorst ben die op het punt staat een Koninklijke zaal te betreden, stap ik met gepaste tred de treden af het perron op. Van weerszijden schieten mensen langs mij alsof zij zich als bedienden vooruit snellen om mij later van dienst te kunnen zijn.
Met een opgetogen hoofd stap ik voorzichtig op de fiets. Dankbaar kijk ik even naar beneden en kijk met een lach naar beneden, naar het rode gips om mijn gebroken been.
De prins
Geschreven door Nico van Til (NLP Mastergroep 09/10)
Er was eens een prins die graag bijzonder wilde zijn. De een wil boer zijn, een ander smid, mijn vader wil graag koning zijn en ik wil graag bijzonder zijn, zei de prins. Op het kasteel lukte het de prins niet om bijzonder te zijn dus besloot hij op reis te gaan. De Koningin vond het allemaal maar niets dat bijzondere gedoe van haar zoon. Hij was prins en dat was voor haar al bijzonder genoeg. Maar wat de prins in zijn kop had had hij niet in zijn kont zo wist ze. En zo gebeurde het dan ook dat de prins de op een dag in alle vroegte vertrok, nagezwaaid door de bijna complete hofhouding.
De prins had het verblijf op het kasteel nogal eens als beklemmend ervaren en nu hij eindelijk op reis was maakte een euforisch gevoel zich van hem meester. De prins voelde weer dat hij leefde en het duurde dan ook een hele poos voordat de prins zijn paard toestond het kalmer aan te doen En zo ging de dag voorbij, soms voluit om daarna in een rustiger tempo de reis weer voort te zetten. Het begon al een beetje te schemeren toen de prins een dorpje binnenreed. Bij de eerste de beste herberg liet hij zijn paard verzorgen en zette zichzelf achter een bord eten met een groot glas koud bier. En terwijl de prins zat te eten, het had hem lange tijd niet zo lekker gesmaakt, merkte de prins dat er enig tumult in de herberg was ontstaan.. Een oude onverzorgde man dreigde hardhandig de herberg te worden uitgezet. De prins vroeg aan de waard wat de man misdaan had. Landlopers die om eten bedelen kunnen we hier niet gebruiken brulde de waard. Wacht! zei de prins. Laat de man mijn gast zijn ik betaal zijn maal. De waard bedaarde toen hij merkte dat er geld te verdienen viel. Goed riep de waard,breng hem eten, hij keek de oude man minzaam aan en duwde hem naar de tafel van de prins. Eet zoveel je wilt zei de prins toen hij zag dat de man hem aarzelend aankeek. Toen de oude man eindelijk klaar was met eten begon de prins te vertellen over zijn reis. De prins was heel goed in luisteren maar nu had hij een grote behoefte om aan deze vreemde zijn verhaal te vertellen. Toen de prins klaar was zei de oude man: er is maar 1 prins leg de andere prins het zwijgen op. De prins keek hem niet begrijpend aan maar de oude man zei niets en schoof iets over de tafel naar hem toe. De prins pakte het aan en zag dat het een prachtig geweven doek was. Hij hield het tegen zijn gezicht en voelde de zachtheid ervan, zoiets had hij zelfs op het kasteel nog niet gezien. De prins wilde de man bedanken maar toen hij opkeek zag hij dat de man al verdwenen was.
De volgende morgen na een heerlijke nacht ging de prins weer vroeg op pad. Hoe eerder ik bijzonder ben hoe beter het is, dacht de prins terwijl hij zijn trouwe paard weer besteeg. En zo reed de prins langs weilanden, langs meren en door bossen, toen hij een kleine jongen met een enorme hoeveelheid hout op zijn rug, voor hem op het bospad zag lopen. De jongen leek nauwelijks gebukt te gaan onder zijn enorme vracht, in tegendeel, de jongen liep te zingen en lachte toen de prins naast hem kwam rijden. Wat knap dat je zo vrolijk blijft zei de prins terwijl je z’on grote last met je meedraagt. Ik heb de indruk dat de last die u met u meedraagt vele malen groter is dan de mijne zei de jongen opgewekt. Hoezo? wilde de prins enigszins gepikeerd vragen terwijl hij achterom keek of er misschien iets op het paard lag. Maar hij bedacht zich. Waar woon je vroeg hij aan de jongen. O, zei de jongen een halve dag lopen hier vandaan. Ik breng je zei de prins resoluut die het eigenlijk onverantwoordelijk vond dat de jongen hier in zijn eentje liep. Het hout werd achterop het paard gebonden en de jongen kwam voor de prins op het paard te zitten. Het begon al te schemeren toen ze bij een klein huisje aankwamen. Hier woonde de jongen met zijn familie. Een grote familie zo merkte de prins. Niemand vroeg de prins iets maar het leek vanzelfsprekend dat de prins er de maaltijd gebruikte en bleef overnachten. De prins genoot wederom van een eenvoudige maar heerlijke maaltijd en van het vrolijke gezelschap waarin hij zich bevond. Niet alleen de jongen lachte veel maar ook de andere kinderen en de ouders leken oprecht veel plezier te hebben. Eenmaal in bed vergat de prins te piekeren en viel al snel in een weldadige slaap. De volgende ochtend, het was nog vroeg vertrok de prins weer. De vader en de jongen deden hem uitgeleide. Net toen de prins het paard de sporen wilde geven zei de jongen wacht ik heb nog iets voor u. Hij rende het kleine huisje weer binnen en kwam met een klein pakketje terug. Maak dit open op een bijzonder moment zei de jongen en onthoud dit: het begint met een prinsenlach. De vader keek zijn zoon trots aan. De prins bedankte de man en de jongen en ging er vandoor.
Wederom legde de prins een flinke afstand af eer hij zichzelf en zijn paard rust gunde. Het had flink geregend en de prins had het koud gekregen Stapvoets volgde hij een pad wat naar een huis met een grote schuur leidde. Verder op het pad stond een met tafels, stoelen en andere houten meubels volgeladen kar tot zijn assen in de modder. De vermoedelijke eigenaar probeerde de kar weer vlot te trekken maar zonder resultaat . Laat me je helpen zei de prins terwijl hij van zijn paard afstapte. De man keek hem dankbaar aan en samen gingen ze aan de slag. Lange tijd stonden de mannen te zwoegen en uiteindelijk lukte het hen mbv het paard de kar uit de modder te trekken. U bent mijn gast zei de man die timmerman bleek te zijn, zolang u wilt. Morgen ochtend moet ik weer verder zei de prins maar voor vanavond neem ik uw aanbod graag aan. Ook hier genoot de prins weer van een stevige maaltijd en een heerlijke nachtrust en toen hij de volgende dag vertrok bedankte de timmerman hem nogmaals. U bent van goeden huize zei hij tegen de prins maar misschien mag deze eenvoudige man u een vraag stellen. En voordat de prins kon antwoorden vroeg de man: waar is de prins? De prins was even uit het veld geslagen en herhaalde voor zichzelf: waar is de prins? Waarom…begon de prins. Neem dit geschenk van mij aan, onderbrak de timmerman hem terwijl hij de prins een houten krukje overhandigde, wellicht komt het u nog van pas. De man gaf de prins een hand keerde zich om en liep terug naar zijn huis, de prins in verwarring achterlatend.
Enige tijd later reed de prins peinzend door het bos. Wat een vreemde boodschappen krijg ik toch dacht hij. Er is maar 1 prins, leg de andere het zwijgen op. Het begint met een prinsenlach en Waar is de prins? Al peinzend reed hij een prachtige groene open plek in het bos op. Een mooie plek om even iets te drinken dacht de prins. Hij pakte zijn drinken en ging op het krukje van de timmerman zitten. Wat een rust dacht hij en wat ruikt het hier lekker. Ik zou hier vaker moeten komen dacht de prins terwijl hij diep inademde. Zo zat de prins een poosje en hoe het kwam wist hij niet maar hij had ineens een onweerstaanbare behoefte om op het krukje te staan. Aanvankelijk kostte het de prins veel moeite om op het kleine krukje te blijven staan maar na een aantal pogingen lukte het. De prins richtte zich op en schrok zo van wat hij zag dat hij bijna weer van het krukje viel .De zoeven nog lege plek was plotseling geheel gevuld met mensen , mensen die op de grond zaten en verwachtingsvol zijn richting op keken. De prins werd er erg nerveus van en wilde het liefst op zijn paard springen om weg te rijden maar ondanks de spanning bleef de prins staan. Het bleef een tijdje stil en de prins dacht: ik moet iets doen, ze verwachten iets van me. En toen begon de prins te vertellen, zomaar iets te vertellen van wat hij meegemaakt op zijn reis hierheen en waar hij vandaan kwam. En terwijl de prins dat deed zag hij dat de mensen ademloos naar hem keken en dat ze soms erg moesten lachen. Lange tijd verstreek en de mensen bleven geboeid luisteren naar wat de prins te vertellen had. Tot hij het genoeg vond en met een diepe buiging, zonder van zijn krukje te vallen, zijn optreden afsloot. Het was even stil maar weldra brak een ovationeel applaus los, de mensen juichten, stampten met hun voeten, gooiden bloemen je kon het zo gek niet bedenken of de mensen deden het. De prins was aanvankelijk nogal verbaasd, hij had tenslotte niets bijzonders gedaan maar het plezier en het enthousiasme wat de prins in de ogen van de mensen zag vond hij prachtig. Dit is best een goede dag dacht de prins en net terwijl hij dat dacht hoorde de prins iemand roepen. Boe, waardeloos, niks an, dat kan veel beter zei een mannen stem. De prins zocht in de menigte naar degene die het geluid voortbracht. Eindelijk hadden zijn ogen de man gevonden. Het was een streng kijkende man, die de prins vagelijk bekend voor kwam en terwijl de man maar bleef roepen: amateur, loser, kruidenrek stapte de prins van zijn krukje en liep vastberaden op de schreeuwer af. Bij de man aangekomen pakte de prins de doek die hij van de grijsaard had gekregen en snoerde de schreeuwerd de mond. Voldaan liep de prins terug naar zijn krukje en ging er met het grootste gemak van de wereld opstaan. Volledig in balans pakte de prins het geschenk van het jongetje uit zijn binnenzak. Hij maakte het pakje open en zag dat er een spiegeltje inzat. Hij hield het spiegeltje op halve armlengte van zijn gezicht en keek erin, keek er nogmaals in en terwijl hij riep: DE PRINS IS HIER, zag hij dat hij lachte.
Projectie
Nasroeddin woonde een voetbalwedstrijd bij, samen met zijn vriend. Hij had gedurende de eerste helft van de wedstrijd flink geschreeuwd en kreeg dorst. 'Ik ga een slok water drinken', zei hij tegen zijn vriend. 'Voor mij ook een slok', zei de vriend. Binnen enkele minuten kwam Nasroeddin terug.
'Ik wilde ook voor jou drinken, maar nadat ik zelf had gedronken, ontdekte ik dat jij toch geen dorst had'.
Max
door Vincent Smit (Master NLP opleiding 2008-6).
En zijn neus glom en de bal zat stevig in zijn bek. Trots met zijn staart omhoog, liep hij de veranda op, schudde zich uit en eenmaal binnen in de berghut draaide hij nog een paar keer rond voordat hij neerstreek op zijn kleed, zijn plek. Max is nooit meer klein gebleven.
Heerlijk warm voor het haardvuur lag Max nog na te hijgen van zijn inspanningen met de schapen. Maar liefst vijf uur was hij bezig geweest met het opdrijven van die bolletjes wol. Van jongs af aan had hij geleerd hoe om te gaan met de schapen. Dit is niet vanzelf gegaan. Hij had een scherpe neus maar was nog niet snel en behendig genoeg om de schapen zijn wil op te leggen en het duurde dan ook langer dan bij andere schaapshonden om ze te verplaatsen. Samen met zijn baas trok hij er iedere dag op uit. De stenen paden op de berg, de struiken en de dennen en de bergvlaktes waren zijn terrein geworden. Overal had hij wel zijn stappen gezet.
Vaak kreeg Max gezelschap van Arno, een andere collie, uit de vallei die dan met hen meeliep. Dit was het maatje geworden van Max en samen konden ze heerlijk spelen. Bekvechten, rollen, en springen. Maar rennen door de rivier aan de voet van de berg deden ze het liefst. Max, trouw als hij is, keek erg op tegen zijn maatje. Arno stond hoger op zijn poten, was eigenwijs, luisterde slecht naar zijn baas maar had een groot overwicht op de schapen die hij met zijn specifiek geblaf en snelheid kon sturen. Verder was hij ook nog eens zeer bedreven in het springen van rots naar rots. Max had hier vaak veel moeite mee en was te voorzichtig. Hij kon niet zo snel springen van steen naar steen. Een paar maanden geleden klapte de poot van Max dubbel toen hij de grip verloor op een rots. Met veel pijn en hinkend wist hij toen uiteindelijk weer thuis te komen. Hierdoor kon hij zich niet meer zo vrij bewegen en was bang om uit te glijden wanneer het te snel ging.
Van Arno had Max ook geleerd om te zwemmen en zich mee te laten voeren in de stroming van de rivier. Behendig met zijn snuit boven het water kon hij zo de rivier oversteken naar de andere kant van de vallei.
Nieuwsgierig naar hoe het zal zijn aan die andere kant ging Max op een dag alleen op pad. Zonder zijn maatje, zonder zijn baas.
Eenmaal de rivier doorgekomen liep hij steeds verder omhoog. Hij kwam toen uit op het punt waar geen bomen meer stonden en rotsen en sneeuw het landschap bepaalden. Wat was hij hoog en hij voelde de koude wind door zijn vacht gaan. Vanaf dit punt kon hij over een enorm gebied rondkijken en in de verte kon hij een enorme schittering zien van de zon in het water van de zee. Het was een prachtig gezicht en gaf hem een heerlijk gevoel.
Nadat de zon onder was gegaan werd de hemel steeds zwarter, er stak een flinke wind op en het begon zelfs te onweren. Max zocht beschutting in een rotsspleet en hield zich hier schuil. Het werd kouder en kouder en Max had honger gekregen. Maar het voelde ook goed voor hem, hij was alleen maar niet eenzaam. Het gaf hem de tijd om na te denken over zijn hondenleven, zijn liefde voor zijn baas en zijn maat.
Vroeg in de ochtend werd Max wakker van geritsel van takken voor de grot en deze geluiden kwamen steeds dichterbij. Tot zijn schrik zag hij een wolf staan die grommend op hem af kwam. Max kroop meer naar voren en rechtte zijn rug. Zijn haren gingen overeind staan en hij voelde zich groter worden en groter en groter. Hij werd zelfs zo groot dat de wolf in zijn schaduw kwam te staan en hij keek hem doordringend aan. De wolf werd kleiner en kleiner en trok zich steeds meer terug en rende weer weg. Nog verbijsterd van zijn kunnen liep Max weer terug naar huis. Hij stak de rivier over en hij danste over de stenen als of ze er niet lagen. De schapen maakte ruimte voor hem toen ze hem zagen en keken vol ontzag hem aan. Eenmaal aangekomen bij de berghut pakte hij zijn bal weer op die op de veranda lag …..
De wilgentak
Door Christiane Kiklas ( Master NLP Opleiding)
Het was laat in de herfst en de wilg genoot van de frisse ochtend met zijn waterig zonnetje. Het was windstil en de takken in de boom stonden er rustig bij. Ze waren het afgelopen jaar weer enorm gegroeid en hadden een dikte bereikt waardoor zij voor vele doeleinden gebruikt konden worden. Sommigen wensten nog langer aan de boom te blijven om later als dikke tak dienst te kunnen doen voor het snijden van een paar klompen. Het merendeel kon echter niet wachten om te kijken welke functie de boer hen zou geven.
De boer zelf liep die ochtend met zijn zaag naar de rand van de wei en begon met het snoeien. De wilgentakken voelden de scherpe tandjes van de zaag in hun zachte hout snijden, voelden hoe ze afgesneden werden van de bron die hen had gevoed en voelden een moment van verdriet. Zij zouden niet meer terug komen. Vol moed en nieuwsgierigheid namen zij afscheid van de wilg om dienst te kunnen doen voor de boer.
De kinderen van de boer hielpen met slepen en sorteren.
Van de kleinste wilgentenen zouden mandjes worden gemaakt die als broodschaal of breimand konden dienen. Van de middelste zouden stevige manden worden gevlochten waarin aardappelen, appels en peren in konden worden bewaard. En de grootste takken zouden als schutting dienen die de wind uit het stukje tuin zou houden waar het boerengezin met z’n allen bij mooi weer zat te eten.
Alle takken wisten dat zij samen in elkaar gevlochten nieuwe avonturen zouden beleven. Geholpen door ijverige handen zouden zij steun aan elkaar geven en op plekken komen die ze niet zouden hebben bereikt als ze aan de boom zouden zijn blijven zitten.
Eén van de stevige takken werd echter meteen door een van de kinderen gepakt en meegesleept naar de sloot. Daar was de dag ervoor de speelbal ingevallen en de kinderen hadden hem er niet uit kunnen krijgen omdat hij te ver op het water lag.
De wilgentak werd door paniek overvallen. In plaats van bij zijn vriendjes te liggen werd hij aan de ene kant door een warme knuist beetgepakt en met de andere kant in ijskoud water ondergedompeld. Hij voelde hoe hij naar achteren en naar voren boog totdat hij iets had geraakt en weer naar de kant werd getrokken.
De wilgentak werd er tureluurs van, het leek wel een novemberstorm en tegelijkertijd vond hij het fantastisch. Wat een avontuur!
Vervolgens werd hij op de grond gegooid en bleef daar een hele poos liggen.
De wilgentak vond het maar niets. Aan de boom had hij immers altijd vrienden om zich heen gehad en de andere gesnoeide takken waren gezellig met elkaar vervlochten een nieuw leven tegemoet gegaan. En hij lag hier maar te rotten.
Een paar weken later werd hij opnieuw opgepakt. De kinderen hadden een boomhut in een van de dikke eiken en zochten een vlaggenstok. Zo werd hij in de boom gehesen en vol trots liet hij een tijd de vlag wapperen.
Dit ging zo een hele tijd door. De ene keer lag hij op de grond en de andere keer werd hij gebruikt voor verschillende taken die hij met bravoure vervulde.
Zo mocht hij op een dag het vette varken zijn varkenswei terug injagen waaruit deze was uitgebroken. Hij was blij dat alleen al door zijn gezwiep het dier zo onder de indruk was, dat deze terug liep naar zijn kameraden.
Ook lukte het hem om de vlieger uit de boom te krijgen, de dikste vis in de vijver te vangen (wat was hij toen blij met zijn veerkracht, anders had de vis hem zeker gebroken) en als ladder te dienen voor de jonge poes die niet meer uit de boom durfde te klimmen.
Hij genoot van die momenten, maar vond het vreselijk dat er altijd anderen waren die ervoor zorgden dat die momenten er waren.
Zo zat hij te mijmeren toen de kinderen hem aan het eind van de tuin in de grond hadden gestoken om als doelpaal te dienen.
Daar bleef hij een hele tijd staan, zonder dat er naar hem werd omgekeken. Hij werd eerst gek van verdriet om zijn verloren vriendjes, maar toen de winter kwam voelde hij niet meer veel en viel in slaap.
In het voorjaar stond hij er nog steeds en toen de bevroren grond weer zacht werd en de zon weer aan kracht won, werd de wilgentak wakker. Hij werd zich weer bewust van zijn toestand en besloot er iets aan te doen. Van boven naar beneden ging hij al zijn vezels aftasten. Het bovenste puntje was ingedroogd, maar zijn onderste uiteinde stond in de vochtige klei en hij voelde dat die hem weer nieuw leven kon geven. Langzaam zoog hij het levensvocht in zich op en voelde hoe het zonlicht hem verwarmde. De krasjes die de poes in de barst had achtergelaten begonnen te helen en hij voelde het kriebelen op verschillende plekken. Toen hij dacht dat hij het niet meer uit zou houden, knapte zijn barst open en kwamen de eerste tere blaadjes te voorschijn. De blaadjes werden bladeren en de bladeren vormden takken. En zo groeide de wilgentak steeds verder.
In de loop van de jaren veranderde de wilgentak in een wilgenboom. Hij liet een extra dikke tak groeien waaraan de boer een schommel voor de kinderen hing, voor de ekster maakte hij een dichte boomkroon waarin deze kon broeden en de poes kreeg (een heel stuk lager) een mooie holte waarin deze zich kon zonnen.
Naast alle bezoekers genoot de boom ook van al die takken die hij had laten groeien. Het waren er heel veel geworden en het was een geklets van jewelste.
Op een mooie novemberdag stond de wilg te genieten in het waterige zonnetje.
In de verte zag hij hoe de boer met zijn zaag zijn kant opliep. De kinderen stonden te springen om de boom en de wilgentakken konden niet wachten totdat de boer met zijn werk zou beginnen…
De regendruppel die niet durfde los te laten
Door Marja Eekhof-Bruinsma (Master NLP Opleiding 2008)
Het was een mooie dag vroeg in het voorjaar.
De natuur ontwaakte na een lange winterslaap. Overal ontlook jonge aanplant en de knoppen aan de bomen gingen langzaam open.
Er scheen een waterig zonnetje.
Opeens begon het zachtjes te regenen en kleine regendruppels daalden neer op de aarde.
Sommigen vielen in de stad en werden met het andere regenwater weggevoerd naar de rivieren die uitmonden in de zee. Sommigen vielen in de aarde en werden meteen opgenomen in de grond. Anderen kwamen op de planten, bomen en bloemen terecht en bleven even liggen voor ze verdampten of op de grond vielen.
Die dag kwam er ook een kleine regendruppel terecht op de zijkant van een stengel van een bamboeplant.
De plant die aan de waterkant stond, zag er werkelijk prachtig uit.
Toen de druppel daar zo aan de stengel hing terwijl om haar heen de andere druppels vielen, had ze een mooi overzicht over de hele omgeving.
Langzamerhand werd ze echter steeds angstiger van wat ze zag en ze vroeg zich af wat er met haar zou gebeuren.
Zou ze straks verdampen, opgedronken worden door een insect of een vogel of zou ze gewoonweg langzaam naar beneden zakken en uitvloeien over de stengel. Of nog erger: vallen en in de rivier terecht komen.
Ze besloot om zich langzaam te laten zakken naar een veilige plek.
Ze pakte zich bij elkaar; om er zeker van te zijn dat er niets van haar achter bleef, en ging langzaam op zoek naar een veilige plek.
Die vond ze in de oksel van de bamboeplant.
Ze lag daar heerlijk in het kuiltje en zelfs toen het begon te waaien, bracht haar niets uit balans.
Na enige tijd begon ze zich toch wel wat ongemakkelijk te voelen: ze kon hier natuurlijk niet eeuwig blijven. De zon won aan kracht en als ze daar zou blijven liggen, zou ze op den duur langzaam maar zeker verdampen. En dan was er natuurlijk nog steeds de mogelijkheid dat ze door een insect of vogel zou worden gevonden.
Terwijl ze daar zo lag te denken wat er allemaal zou kunnen gebeuren en wat ze zou moeten doen, gebeurde dat wat ze nooit had kunnen bedenken.
In de nacht daalde de temperatuur en begon het licht te vriezen.
En, nog voor dat ze het eigenlijk in de gaten had wat er gebeurde, bevroor de regendruppel.
Net voordat ze helemaal van ijs was geworden, bedacht ze nog dat het meeste vreselijke in elk geval niet gebeurd was: terecht komen in de rivier. Niemand zou meer weten dat ze eigenlijk een regendruppel was geweest, ze zou helemaal verdwijnen in de watermassa. Het idee dat je zo vermengd kon worden met ander water, dat je niet meer wist wie je was, was haar grootste angst.
Die ochtend lag er over het groen een witte sluier van vorst.
De zon kwam op en terwijl hij langzaam ontwaakte en zijn boog aan de hemel schreef, won hij aan kracht.
Hij verwarmde alles wat er was.
De zon scheen ook op de bamboeplant en op alle druppels die daarop waren achtergebleven. Langzaam ontdooiden ze.
Ook de waterdruppel die verborgen lag in de oksel. Het regenwater dat ontdooide gleed langzaam langs de stengel van de plant naar beneden.
Een van de stengels werd topzwaar en de plant begon te hellen.
Zo gebeurde het dat de regendruppel viel en viel en viel…………
Terwijl dit gebeurde trok haar hele leven aan haar voorbij en ze wist dat er geen redden meer aan was.
Het loslaten was begonnen en er was geen weg meer terug.
Toen ze zo door de lucht naar beneden viel, besefte zij zich dat dit pas het begin van de reis was en niet het einde.
Ze plonsde in de rivier en werd omgeven door het water. Heel snel was ze als regendruppel onherkenbaar, maar ze voelde haar kern en herkende die bij anderen.
Zo ging ze op weg, mee met de stroom, op weg naar de eindeloze zee
TE KOOP AANGEBODEN: KARAKTERESTIEK HUIS MET AUTHENTIEKE DETAILS
Geschreven door Ine de Reus (NLP Master 09/10)
Het is begin jaren 1900, mijn bouwjaar. In deze straat met vele mooie, statige, diverse karakteristieke huizen zal ik gebouwd worden. Een straat waar al vele huizen staan en nog vele huizen gebouwd zullen worden. Een straat aan de rand van het hart van de stad, centraal gelegen in verbinding met de dorpen om de stad heen.
Eerst wordt er zand uitgegraven, om mijn fundament te maken, een rechthoek van opgemetselde bakstenen. Hier worden mijn muren opgemetseld met ramen aan de voor en achterzijde, ramen die voor uitzicht zorgen, groot genoeg om voldoende licht binnen in mij te brengen en de knusheid van binnenuit te bewaren. De volgende stap in mijn opbouw zijn de houten balken in de vloer op de begane grond, de eerste verdieping en zolder. Ik word beetje bij beetje meer een huis. Mijn dak wordt van een houten raamwerk gemaakt bedekt met sierlijke dakpannen om mij zo te beschermen voor alle weersomstandigheden en mij wind en water dicht te maken. De afwerking en details kunnen nu worden aangebracht, vele uren, weken en maanden worden hier in geïnvesteerd. Ik word een huis, een bijzonder authentiek huis; ik krijg een keuken met handgemaakte houten kastjes en een betongegoten aanrecht, sierlijke lijsten en ornamenten aan mijn plafond, mooie kamerensuite deuren, degelijke potkachels als verwarming en een pracht van een voordeur om bij mij binnen te komen. Aan mijn achterzijde ligt de langgerekte tuin, die in het verlengde van mij ligt, nu nog een grote zandhoop in open verbinding met de tuinen van de andere huizen om mij heen.
En dan is daar de dag, ik ben klaar, afgebouwd. Ik ben klaar om bewoond te worden. Ik word met groot enthousiasme ingericht met banken, kasten, bedden, alles krijgt zijn plaats. Er wordt hier en daar nog aan mij geschilderd en er wordt van alles aan mijn muren opgehangen. Voor de ramen komen gordijnen die het licht buiten kunnen houden en mij van binnen donker kunnen maken. Mijn tuin krijgt rondom een schutting om mij af te scheiden van de tuinen naast en achter mij. Beetje bij beetje word ik meer en meer gevormd, ingericht, word ik een huis met leven, een eigen stijl en energie.
Jaren word ik bewoond, bewoners komen en gaan, nooit sta ik lang leeg. Keer op keer word ik leeggehaald en opnieuw ingericht, worden er spijkers uit mijn muren gehaald, gaten gedicht en kozijnen en muren in verschillende kleuren geschilderd. Mijn tuin veranderd van moestuin, naar zonnen tuin tot speelparadijs voor de kinderen. Door de jaren heen word er ook aan mij verbouwd. Mijn authentieke details die om onderhoud vragen worden vervangen, vertimmerd met andere materialen, die minder onderhoud vragen. Zo wordt mijn plafond met sierlijsten en ornamenten dat door de jaren heen scheuren is gaan vertonen verborgen achter een plafond van schrootjes. Mijn kamer ensuite deuren die niet meer zo nauw sluiten worden verwijderd om zo in mij één grote lichte kamer te creëren. Mijn sierlijke ramen aan de voorzijde worden vervangen voor één groot raam met dubbele beglazing om zo de kou beter buiten en de warmte binnen mij te houden en het licht binnen in mij te vergroten. Al mijn houten kozijnen worden vervangen voor kunststof kozijnen, ik word hierdoor duurzamer en vraag zo weinig onderhoud van mijn bewoners. Mijn potkachels verdwijnen en worden vervangen voor centrale verwarming, zo is voor mijn bewoners overal warmte in mij. Bij al mijn deuren en ramen worden tochtstrips geplaatst om de kou en tocht buiten mij te houden. Ik word zelfs aan mijn achterzijde uitgebreid, ik krijg een aanbouw. Ik krijg een extra kamer om zo meer ruimte in mij te creëren. Het authentieke in mij wordt vervangen voor functionaliteit. Beetje bij beetje verlies ik onderdelen van mijn ware karakter en krijg ik een ‘modern jasje’ aan. En ik, ik laat het allemaal gebeuren. De angst om leeg te komen staan overheerst, want wat ben ik immers nog waard als huis wanneer ik leeg zou komen te staan, onbewoonbaar zou worden verklaard.
En dan is daar die dag, bewoners vertrekken uit mij, op weg naar een nieuw huis. Ik ben leeg. Er komt geen nieuw leven, geen oude spijkers uit de muur, gaten die opnieuw gedicht worden, geen gordijnen voor mijn ramen en geen nieuw likje verf. Het is stil. Mensen komen naar mij kijken. Soms staan ze alleen buiten, werpen door het raam aan de voorkant een blik bij mij naar binnen om vervolgens met een minachtige blik weer snel door te lopen. Sommigen mensen komen naar binnen, lopen door mij heen, maar niet voor lang en niemand komt terug. Langzaam verlies ik moed, kracht en energie. Waarom wil er niemand blijven, waarom wil er niemand in mij wonen? Ik heb de afgelopen jaren nog zo mijn best gedaan; ik ben goed geïsoleerd, ben eenvoudig in onderhoud, er is veel licht bij mij binnen, de ruimtes in mij zijn groot en ruim. Ik heb mij aan iedereen aangepast, keer op keer. En nu, nu ben ik leeg en herken ik geen enkel detail meer van mezelf.
Maanden verstrijken er komen geen mensen meer kijken. Het stof in mij rijst op, de geuren in mij worden muf, de pannen op mijn dak zijn verschoven, mijn voegen raken uitgesleten en mijn tuin is een grote wildernis. De muren in mij voelen door alle vertimmering dikker dan ooit, er komt geen geluid van buitenaf naar binnen en ik heb het gevoel alsof ik het contact met de buitenwereld langzaamaan verlies. De spijkers in mij geven een stekende pijn, ze herinneren mij telkens weer aan het leven wat ooit in mij was, ik voel mij eenzaam. Mijn dak wat hard aan onderhoud toe is, geeft mij niet voldoende bescherming voor de regen en kou. En ik, ik weet niet meer hoe mezelf te beschermen. Ik heb het koud van binnen. Ik voel me steeds meer opgesloten in mezelf, geïsoleerd van de buitenwereld. Ik voel me alleen. Ik zoek naar mezelf, ik zoek in mezelf, ik zoek herkenning van details van wie ik ooit was. Alles lijkt zo mooi afgemaakt van binnen, onaantastbaar aan de buitenkant en niets lijkt op mij. Ik voel me leeg,
De herfst wordt winter en de winter gaat over in de lente. Op een dag komt er door mijn versleten dak een zonnestraal naar binnen samen met een vleugje wind. Het doet het stof in mij opwaaien, het zonnelicht verwarmt en de frisse geur brengt mij in verwarring. Mijn versleten dak, wat mij lange tijd kwetsbaar deed voelen, doet mij beseffen dat ik mijn kwetsbaarheid zelf ben. Ik sluit mij af voor alles wat er wel is. Ik kan mij afschermen voor de invloeden van buitenaf vanuit de angst om nog meer verbouwd en vertimmerd te worden. Of ik kan de invloeden van buitenaf gebruiken om mezelf beetje bij beetje terug te vinden. Mezelf niet langer te verschuilen achter al datgene wat aan mij veranderd is, maar te kijken wat er nog wel in mij is, wat wel van mij is. Ik kijk naar buiten door het grote raam aan de voorzijde en ik realiseer mij wat mijn plek is, waar ik sta. Ik sta in een pracht van een straat. Een straat met vele statige karakteristieke huizen en ieder huis heeft zijn eigen gezicht. Ik sta in een straat die de rand van de stad verbind met het centrum en met de dorpen rondom de stad heen. Het felle zonlicht prikkelt. Kijkend door de scherpte van het licht heen bedenk ik mij hoe ik het vele licht dat door dit raam naar binnen komt, kan gebruiken om mijn authenticiteit te belichten. Ook ik heb immers nog karakteristieke details, een eigen gezicht. Ik verschuif nog wat van mijn dakpannen, zodat er meer wind door mij heen waait die het stof verder in mij doet opwaaien en een frisse geur in mij verspreid. Het schrootjesplafond laat ik los, zodat mijn sierlijsten en ornamenten aan mijn plafond zichtbaar worden. Beetje bij beetje hervind ik mijn authenticiteit, mijn kracht. Hervind ik delen van mezelf.
Op een dag komen er mensen voorbij, ze staan voor mij stil en kijken naar binnen. Ik zie een blik van nieuwsgierigheid, een blik van verwondering. Ze komen bij mij naar binnen en lopen door al mijn kamers heen. Ze blijven staan, verbazen zich over mijn verborgen schoonheid. Ze maken plannen om mij te moderniseren en om mijn oude specifieke details terug laten komen met behulp van technieken van deze tijd. De mensen raken verbonden met mij, om wie ik ben en om welke mogelijkheden ik hen kan bieden. En ik, ik vind het spannend, ik voel me kwetsbaar en bovenal voel ik mij verbonden met mezelf om alles wat ik ben en wat ik nog worden kan.




